Examens

Schietclub :

THE CHAPEL

"Kies voor topbegeleiding!"

Schietclub The Chapel in Sint-Niklaas

Schietstand sinds 1978!

Wil je je examen afleggen? Klik dan hier op ons contactformulier en vraag om een afspraak. Ook voor mensen buiten onze club!

EXAMENCENTRUM THE CHAPEL SINT-NIKLAAS


Wie zijn voorlopige sportschutterslicentie wenst om te zetten in een definitieve licentie  zal geconfronteerd worden met een theoretisch en praktisch examen (tenzij je over een vrijstelling beschikt). Ons examencentrum staat ook open voor mensen die niet aangesloten zijn in onze club.  Het examen is geldig voor zowel de federatie FROS als de federatie VSK.


Gedeelte theorie :


Het theoretisch examen bestaat uit 15 meerkeuzevragen. Hierop moet je minstens 9 juiste antwoorden hebben om geslaagd te zijn. Deze 15 vragen worden gekozen uit 150 vragen die je hieronder kan vinden.


Gedeelte praktijk :

De proef omvat volgende handelingen: laden en ontladen - wapenen en ontwapenen - schieten - beperkt demonteren (zgn. velduiteenname) - dragen, hanteren en gebruiken van het wapen in een schietstand - de richtapparatuur gebruiken - de terugslag en de schietrichting beheersen. Deze zaken worden je bij het aangaan van je voorlopige licentie aangeleerd.


De 150 vragen voor het theoretisch sportschuttersexamen.




Deze vragenlijst is bestemd voor schutters die zich willen voorbereiden op hun theoretische proef.


1. Bij wie wordt de voorlopige sportschutterlicentie aangevraagd ?

• A. bij de provinciegouverneur door bemiddeling van de lokale politie.

• B. bij de gemachtigde schietsportfederatie door bemiddeling van de lokale politie.

x• C. bij de gemachtigde schietsportfederatie via de club.


2. Bij wie wordt de sportschutterlicentie aangevraagd ?

• A. bij de provinciegouverneur door bemiddeling van de lokale politie.

• B. bij de gemachtigde schietsportfederatie door bemiddeling van de lokale politie.

x• C. bij de gemachtigde schietsportfederatie via de club.


3. Een voorlopige sportschutterslicentie is geldig gedurende

• A. drie maanden

• B. zes maanden

x• C. twaalf maanden


4. Een voorlopige sportschutterslicentie:

• A. laat de houder ervan toe een voor het sportschieten ontworpen wapen

          te verwerven om het wapen uit te proberen, hij moet het wapen daarna teruggeven

x• B. laat de houder ervan toe om het sportschieten te beoefenen onder begeleiding

          van een meerderjarige lesgever die houder is van een sportschutterslicentie geldig in de betrokken   

          wapencategorie

• C. laat de houder ervan toe om het sportschieten te beoefenen zonder enige begeleiding.


5. Een pistool behoort tot

• A. wapencategorie A

x• B. wapencategorie B

• C. wapencategorie C

 

6. Een grendelgeweer met getrokken loop behoort tot

• A. wapencategorie B

x• B. wapencategorie D

• C. wapencategorie E


7. Een tweeloop met gladde loop behoort tot

• A. wapencategorie A

• B. wapencategorie B

x• C. wapencategorie C


8. Een zwartkruit revolver behoort tot

• A. wapencategorie A

• B. wapencategorie C

x• C. wapencategorie E


9. De minimumleeftijd voor het aanvragen van een Vlaamse voorlopige sportschutterslicentie is

• A. 14 jaar.

x• B. 16 jaar.

• C. 18 jaar.


10. Een voorlopige sportschutterslicentie kan geldig zijn:

x• A. Voor maximum één wapencategorie

• B. Voor alle wapencategorieën

• C. voor geen enkele wapencategorie


11. Bij de aanvraag van een voorlopige sportschutterslicentie door een minderjarige:

x• A. dient een schriftelijke toestemming van de ouders of wettelijk vertegenwoordigers te worden

          aangebracht op het aanvraagformulier.

• B. volstaat de mondelinge toestemming van de ouders of wettelijk vertegenwoordigers

• C. is onontvankelijk als de aanvrager minderjarig is


12. Aan een persoon die veroordeeld is voor een misdrijf waardoor elk wapenbezit uitgesloten is:

• A. kan de schietsportfederatie een voorlopige sportschutterslicentie toekennen

• B. kan de schietsportfederatie een sportschutterslicentie toekennen

x• C. kan de schietsportfederatie nooit een voorlopige sportschutterslicentie of een     

          sportschutterslicentie toekennen


13. Bij de aanvraag van een voorlopige sportschutterslicentie

• A. moeten attesten van slagen van de praktische en theoretische proeven worden voorgelegd.

• B. moet een attest van slagen van de theoretische proef worden voorgelegd

x• C. moeten geen attesten van slagen voor de praktische en theoretische proef worden voorgelegd


14. Bij de aanvraag van een voorlopige sportschutterslicentie

• A. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 1 maand. Kopies zijn

          niet toegelaten.

x• B. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 3 maanden. Kopies zijn

          niet toegelaten.

• C. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 6 maanden. Kopies zijn

          niet toegelaten


15. Bij de aanvraag van een voorlopige sportschutterslicentie

• A. moet geen medisch attest worden toegevoegd

• B. moet een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder is dan 1 maand

x• C. moet een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder dan 3 maanden


16. Bij de aanvraag van een voorlopige sportschutterslicentie

x• A. moet een kopie van de identiteitskaart worden gevoegd

• B. moet een kopie van de wapenvergunningen worden toegevoegd

• C. moet een pasfoto worden toegevoegd


17. Het medisch attest kan worden afgeleverd

x• A. door elke arts

• B. enkel door artsen die erkend zijn door de federatie

• C. enkel door artsen die erkend zijn door de Vlaamse minister bevoegd voor sport


18. Gisèle heeft enkel een voorlopige sportschutterslicentie in wapencategorie B

x• A. hij kan het sportschieten met een pistool beoefenen onder begeleiding

• B. hij kan het sportschieten met een revolver beoefenen onder begeleiding

• C. hij kan het sportschieten met een pistool en met een revolver beoefenen onder begeleiding


19. Gisèle heeft een voorlopige sportschutterslicentie in wapencategorie B

• A. hij kan het sportschieten beoefenen onder begeleiding van een sportschutter die houder is van

          een voorlopige sportschutterslicentie in wapencategorie B

x• B. hij kan het sportschieten beoefenen onder begeleiding van een sportschutter die houder is van

          een sportschutterslicentie in wapencategorie B

• C. hij kan het sportschieten beoefenen onder begeleiding van een sportschutter die houder is van

          een sportschutterslicentie, ongeacht in welke wapencategorie deze geldig is


20. Eufrazie is houder van een voorlopige sportschutterslicentie geldig voor wapencategorie B

x• A. in haar sportschuttersboekje kan ze schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een pistool

• B. in haar sportschuttersboekje kan ze schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een revolver

• C. ze kan als houder van een voorlopige sportschutterslicentie geen schietbeurten laten noteren

 

21. Philomène is houder van een voorlopige sportschutterslicentie geldig voor wapencategorie A

• A. in zijn sportschuttersboekje kan hij schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een pistool

x• B. in zijn sportschuttersboekje kan hij schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een revolver

• C. in zijn sportschuttersboekje kan hij alle schietbeurten noteren, de wapencategorie speelt geen rol


22. De houder van een voorlopige sportschutterslicentie

• A. kan enkel met de wapens schieten waarvoor hij zelf een wapenvergunning heeft

x• B. kan met alle vergunningsplichtige wapens schieten die hem op de schietstand ter beschikking

          worden gesteld, mits de voorlopige sportschutterslicentie geldig is voor de wapencategorie en

          onder begeleiding

• C. kan met alle vergunningsplichtige wapens schieten onder begeleiding, ongeacht de

          wapencategorie van deze wapens


23. De begeleider van de houder van een voorlopige   sportschutterslicentie

• A. moet gedurende meer dan één jaar actief het sportschieten hebben beoefend

x• B. moet gedurende meer dan twee jaren actief het sportschieten hebben beoefend

• C. moet gedurende meer dan drie jaren actief het sportschieten hebben beoefend


24. Een geldige schietbeurt kan plaatsvinden:

• A. enkel tijdens een wedstrijd georganiseerd door een Vlaamse club

x• B. tijdens elke activiteit georganiseerd door een club aangesloten bij een Vlaamse

          sportschuttersfederatie

• C. tijdens een internationale wedstrijd waarbij geen Vlaamse federatie bij betrokken is


25. In het sportschuttersboekje

• A. moet voor elke schietbeurt de sportschutter zelf zijn handtekening plaatsen

x• B. moet voor elke schietbeurt een bestuurslid of een aangestelde een handtekening plaatsen

• C. moet geen handtekening geplaatst worden voor elke schietbeurt


26. Bij verlies van de voorlopige sportschutterslicentie

• A. stuurt de schietsportfederatie spontaan een nieuwe voorlopige sportschutterslicentie op

x• B. moet een duplicaat worden aangevraagd bij de schietsportfederatie

• C. moet een duplicaat worden aangevraagd bij de provinciegouverneur


27. Gerard is houder van een sportschutterslicentie geldig voor wapencategorie B

x• A. in zijn sportschuttersboekje kan hij schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een pistool

• B. in zijn sportschuttersboekje kan hij schietbeurten laten noteren die plaatsvonden met een revolver

• C. in zijn sportschuttersboekje kan hij alle schietbeurten noteren, de wapencategorie speelt geen rol


28. Schuttersvereniging “de tunnelschutters” organiseert een wedstrijd met een prijzentafel

• A. iedereen kan aan de wedstrijd meedoen

• B. enkel wie een wapenvergunning heeft kan aan de wedstrijd meedoen

x• C. wie houder is van een sportschutterslicentie of een voorlopige sportschutterslicentie kan aan de

          wedstrijd meedoen


29. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

x• A. moet steeds een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder is dan 3 maanden

• B. moet steeds een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder is dan 6 maanden

• C. moet geen medisch attest worden toegevoegd als men houder is van een wapenvergunning


30. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

x• A. moeten attesten van slagen van de praktische en theoretische proeven worden voorgelegd, tenzij

          er vrijstelling is.

• B. moet enkel attest van slagen van de theoretische proef worden voorgelegd,tenzij er vrijstelling is

• C. moeten nooit attesten van slagen voor de praktische en theoretische proef worden voorgelegd


31. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

• A. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 1 maand.

x• B. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 3 maanden.

• C. moet een uittreksel strafregister worden voorgelegd dat niet ouder is dan 6 maanden.


32. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

• A. moet geen medisch attest worden toegevoegd

• B. moet een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder is dan 1 maand

x• C. moet een medisch attest worden toegevoegd dat niet ouder dan 3 maanden


33. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

x• A. moet een kopie van de identiteitskaart worden gevoegd samen met een pasfoto

• B. moet een kopie van een uittreksel uit het strafregister worden toegevoegd

• C. moet geen pasfoto worden toegevoegd


34. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie geldt:

• A. dat altijd een attest van slagen voor de praktische en theoretische proef moet worden toegevoegd

x• B. dat geen attest van slagen voor de theoretische proef moet worden toegevoegd en dat geen attest

          van slagen voor de praktische proef moet worden toegevoegd als een kopie van een

          wapenvergunning is toegevoegd, voor zover het wapen waarop de wapenvergunning betrekking

          heeft overeenstemt met de wapencategorie waarvoor de sportschutterslicentie wordt aangevraagd

• C. dat geen attest van slagen voor de theoretische proef moet worden toegevoegd en dat geen attest van

          slagen voor de praktische proef moet worden toegevoegd als een kopie van een wapenvergunning is

          toegevoegd

 

35. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

x• A. moet steeds een kopie van het sportschuttersboekje worden toevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager

          aan minstens 12 schietbeurten heeft deelgenomen gespreid over minstens 12 dagen en 2 trimesters.

• B. moet enkel een kopie van het sportschuttersboekje worden toegevoegd als men nog geen houder is

          van een wapenvergunning.

• C. moet een kopie van het sportschuttersboekje worden toegevoegd waaruit blijkt dat de aanvrager aan

          minstens 6 schietbeurten heeft deelgenomen gespreid over minstens 6 dagen en 2 trimesters


36. Bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

x• A. moet de aanvrager reeds gedurende minstens 6 maanden lid zijn van een club die is aangesloten bij

          een gemachtigde schietsportfederatie

• B. moet de aanvrager reeds gedurende minstens 2 jaar lid zijn van een club die is aangesloten bij een

          gemachtigde schietsportfederatie

• C. is geen minimum duur van het lidmaatschap vereist


37. Aan een persoon die veroordeeld is voor een misdrijf waardoor elk wapenbezit uitgesloten is:

• A. kan de schietsportfederatie een voorlopige sportschutterslicentie toekennen

• B. kan de schietsportfederatie een sportschutterslicentie toekennen

x• C. kan de schietsportfederatie nooit een voorlopige sportschutterslicentie of een sportschutterslicentie

          toekennen

38. De minimumleeftijd voor het aanvragen van een Vlaamse sportschutterslicentie is

• A. 14 jaar

x• B. 16 jaar

• C. 18 jaar


39. Een sportschutterslicentie kan geldig zijn:

• A. voor maximum één wapencategorie

x• B. voor alle wapencategorieën

• C. enkel voor de wapencategorieën waarvoor de sportschutter ook een vergunning heeft


40. Als de sportschutter nalaat om tijdig de geldigverklaring van de sportschutterslicentie te vragen:

• A. wordt hij in gebreke gesteld door de schietsportfederatie die hem nog een maand extra geeft om het

          nodige te doen.

x• B. moet de schietsportfederatie de procedure tot intrekking van de sportschutterslicentie starten

• C. moet de situatie bij de lokale politie geregulariseerd worden.


41. Welke proeven moet men afleggen om na 5 jaar een sportschutterslicentie te hernieuwen?

• A. een theoretische en praktische proef.

x• B. alleen een theoretische proef bij substantiële wijziging van de regelgeving.

• C. geen enkele.


42. Wat moet de houder van een voorlopige sportschutterslicentie doen om een sportschutterslicentie te verkrijgen

• A. een aanvraag indienen bij de lokale politie

x• B. een theoretische en praktische proef afleggen (tenzij vrijstelling ervan) en         een vraag indienen bij

          een gemachtigde schietsportfederatie via de club. Hij moet eveneens kunnen bewijzen aan minstens 12

          schietbeurten te hebben deelgenomen, gespreid over minstens 12 dagen en 2 trimesters

• C. een aanvraag doen bij de gouverneur, dan zijn zes schietbeurten voldoende.


43. Op basis van het sportschuttersdecreet dient de houder van een sportschutterslicentie :

• A. de wapens en munitie op te slaan in een wapenkluis

x• B. de wapens en munitie gescheiden te bewaren in een afgesloten kast of in een afgesloten ruimte

• C. de wapens uit te rusten met een trekkerslot en de munitie afzonderlijk te bewaren


44. Een sportschutterslicentie kan worden ingetrokken:

• A. door de lokale politie

• B. door de gouverneur

x• C. door de gemachtigde schietsportfederatie


45. Tegen de intrekking van de sportschutterslicentie uitgereikt door een schietsportfederatie, is een administratief beroep mogelijk bij:

x• A. de Vlaamse minister bevoegd voor sport (via Bloso)

• B. de minister van Justitie

• C. de provinciegouverneur


46. Bij wie wordt de sportschutterlicentie aangevraagd ?

• A. bij de provinciegouverneur door bemiddeling van de lokale politie.

• B. bij de gemachtigde schietsportfederatie door bemiddeling van de locale politie.

x• C. bij de gemachtigde schietsportfederatie via de club.


47. Hoeveel schietbeurten moeten er in het sportschuttersboekje minstens vermeld

zijn om de sportschutterslicentie jaarlijks te verlengen?

• A. 6

• B. 9

x• C. 12


48. Het aantal schietbeurten dat noodzakelijk is om de licentie jaarlijks te verlengen,

dient gespreid te zijn over:

• A. over minstens 2 maanden

x• B. over minstens 2 trimesters

• C. over minstens 2 semesters

 

49. Een sportschutter mag in het bezit zijn van maximaal:

x• A. één sportschuttersboekje

• B. één sportschuttersboekje per federatie waarbij hij lid is

• C. zoveel sportschuttersboekjes als hij wil


50. Een schietbeurt dient geregistreerd te worden in het sportschuttersboekje:

• A. door de sportschutter zelf

• B. door een agent van de lokale of de federale politie

x• C. door de verantwoordelijke van de club of van de schietsportfederatie of hun aangestelde


51. Een schietbeurt kan plaatsvinden:

• A. enkel tijdens een wedstrijd georganiseerd door een Vlaamse club

x• B. tijdens elke activiteit georganiseerd door een club aangesloten bij een Vlaamse sportschuttersfederatie

• C. tijdens een internationale wedstrijd waarbij geen Vlaamse federatie bij betrokken is


52. Welke documenten moeten voorgelegd worden voor de jaarlijkse verlenging van de sportschutterslicentie?

• A. medisch attest en getuigschrift van goed gedrag en zeden.

x• B. het sportschuttersboekje en getuigschrift van goed gedrag en zeden.

• C. bewijs van slagen in de theoretische en de praktische proef.


53. Mits jaarlijkse geldigverklaring, blijft een sportschutterslicentie geldig voor

• A. 1 jaar.

• B. 3 jaar.

x• C. 5 jaar.


54.Bij verlies van de sportschutterslicentie

• A. stuurt de schietsportfederatie spontaan een nieuwe sportschutterslicentie op

x• B. moet een duplicaat worden aangevraagd bij de schietsportfederatie

• C. moet een duplicaat worden aangevraagd bij de provinciegouverneur


55. Bij adreswijziging

• A. wordt de federatie ingelicht door het rijksregister en stuurt ze automatisch een aangepaste

          sportschutterslicentie op

• B. moet de sportschutter zelf het adres op zijn sportschutterslicentie wijzigen en de federatie inlichten

x• C. moet een duplicaat van de sportschutterslicentie worden aangevraagd bij de federatie


56. De jaarlijkse geldigverklaring van de sportschutterslicentie

• A. wordt via de club aan de federatie gericht

x• B. wordt door de sportschutter zelf rechtstreeks aan de federatie gericht

• C. wordt door de sportschutter zelf rechtstreeks aan de gouverneur gericht

 

57. De jaarlijkse geldigverklaring van de sportschutterslicentie wordt aangevraagd

• A. tijdens de eerste twee maanden van een kalenderjaar

x• B. ten vroegste twee maand en ten laatste een maand voor de verjaardag van de sportschutterslicentie

• C. zodra men 12 schietbeurten heeft gespreid over minstens 2 trimesters


58. De enige verantwoordelijke voor de tijdige aanvraag van de verlenging van de sportschutterslicentie is

• A. de clubverantwoordelijke

x• B. de sportschutter zelf

• C. de federatie


59. Schietbeurten afgetekend door verantwoordelijken van een buitenlandse federatie of door verantwoordelijken van een Waalse of Duitstalige federatie

x• A. zijn ongeldig

• B. zijn enkel geldig als de schietbeurt in Vlaanderen plaatsvond

• C. zijn steeds geldig


60. De houder van een sportschutterslicentie

• A. kan enkel met de wapens schieten waarvoor hij zelf een wapenvergunning heeft

x• B. kan met alle vergunningsplichtige wapens schieten die hem op de schietstand ter beschikking worden

          gesteld, mits de sportschutterslicentie geldig is voor de wapencategorie

• C. kan met alle vergunningsplichtige wapens schieten onder begeleiding, ongeacht de wapencategorie

          van deze wapens


61. De houder van een sportschutterslicentie

• A. kan enkel met de wapens schieten waarvoor hij zelf een wapenvergunning heeft

• B. kan enkel met vergunningsplichtige wapens schieten onder begeleiding

x• C. kan met alle vergunningsplichtige wapens schieten die hem op de schietstand ter beschikking worden

          gesteld, mits de sportschutterslicentie geldig is voor de wapencategorie


62. Medard is houder van een wapenvergunning voor een pistool. Hij vraagt een

sportschutterslicentie aan in wapencategorie B. Bij zijn aanvraag:

x• A. moet hij een kopie van zijn wapenvergunning toevoegen. Hij is dan vrijgesteld van de proeven

• B. moet enkel een attest van slagen voor de theoretische proef worden gevoegd

• C. moet een attest van slagen voor de praktische en theoretische proef worden gevoegd


63. Behoudens het geval van intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben door de gouverneur, geldt dat de houder van een sportschutterslicentie die niet meer geldig is:

• A. zijn wapens binnen de acht dagen moet overdragen aan een erkend person of aan de houder van een

          vergunning tot het voorhanden hebben van de wapens;

x• B. zijn wapens gedurende drie jaar voorhanden mag hebben zonder munitie;

• C. zijn wapens nog gedurende drie jaar voorhanden mag hebben met munitie.


64. Behoudens het geval van intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben door de gouverneur, geldt dat de houder van een sportschutterslicentie die niet meer geldig is:

x• A. de munitie voor de wapens die via zijn sportschutterslicentie geregistreerd waren binnen een maand

          moet overdragen aan een persoon die deze munitie voorhanden mag hebben;

• B. zijn wapens gedurende drie jaar voorhanden mag houden met munitie;

• C. zijn wapens onmiddellijk moet afgeven ter vernietiging.


65. Om na te gaan of een sportschutter voldoende schietbeurten heeft:

x• A. moet altijd geteld worden vanaf de verjaardag van de sportschutterslicentie

• B. moet geteld worden vanaf de dag van ontvangst van het valideringsvignet

• C. moet geteld worden vanaf de dag dat de geldigverklaring wordt aangevraagd


66. Bij de beoordeling van de schietbeurten

x• A. komen enkel schietbeurten in aanmerking geschoten met een wapen dat behoort tot een categorie

          waarvoor de sportschutter een geldige (voorlopige) sportschutterslicentie heeft

• B. komen alle schietbeurten in aanmerking

• C. is de wapencategorie niet van belang


67. Op eenzelfde dag

• A. kan men meerdere geldige schietbeurten laten noteren

x• B. kan slechts één geldige schietbeurt als geldig in aanmerking worden genomen

• C. kan men meerdere geldige schietbeurten in aanmerking nemen voor zover geschoten wordt met

          wapens uit een verschillende wapencategorie


68. De schietbeurten moeten gespreid zijn over minstens 2 trimesters. Voor de berekening van deze trimesters

• A. begint men steeds op 1 januari te tellen

• B. begint met te tellen op 15 juni omdat het sportschuttersdecreet dan in werking trad

x• C. begint men te tellen vanaf de verjaardag van de sportschutterslicentie, dit is de dag waarop ze werd

          uitgereikt

 

69. Op eenzelfde dag

• A. kan men meerdere geldige schietbeurten laten noteren

x• B. kan slechts één schietbeurt als geldig in aanmerking worden genomen

• C. kan men meerdere geldige schietbeurten in aanmerking nemen voor zover geschoten wordt met

          wapens die tot een andere wapencategorie behoren


70. Als het sportschuttersboekje vol is

• A. mag niet meer aan sportschieten worden gedaan

x• B. kan een nieuw sportschuttersboekje worden aangevraagd bij de federatie tegen afgifte van het oude

          sportschuttersboekje

• C. zal de sportschutterslicentie in de toekomst automatisch geldigverklaard worden wegens voldoende

          schietbeurten


71. Bij fraude tijdens de registratie van de schietbeurten

• A. kan de sportschutterslicentie van de frauderende schutter worden ingetrokken

x• B. kunnen de sportschuterslicenties van iedereen die bij de fraude betrokken is worden ingetrokken

• C. zijn enkel strafsancties mogelijk


72. De attesten van slagen voor de theoretische proef uitgereikt door de politie

x• A. zijn niet geldig bij de aanvraag van een sportschutterslicentie

• B. zijn geldig bij de aanvraag van de sportschutterslicentie indien ze niet ouder zijn dan drie maanden

• C. zijn steeds geldig bij de aanvraag van een sportschutterslicentie


73. Om te slagen voor de theoretische proef:

x• A. dient de kandidaat een score van minstens 60% te behalen

• B. dient de kandidaat een score van minstens 50% te behalen

• C. dienst de kandidaat een score van minstens 70% te behalen


74. Tijdens het afleggen van de theoretische proef:

• A. kan de kandidaat zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon die hem bijstaat om de vragen

          correct te beantwoorden

• B. mag een kopie van de wetteksten worden geraadpleegd

x• C. mag de kandidaat geen enkel hulpmiddel gebruiken en mag hij zich niet laten bijstaan.


75. Wie tijdens het afleggen van de theoretische proef betrapt wordt op spieken:

• A. krijgt de score “nul” voor de theoretische proef

x• B. krijgt de score “nul” voor de theoretische proef, gelet op de inbreuk zijn sancties t.a.v. de voorlopige

          sportschutterslicentie of de sportschutterslicentie mogelijk

• C. krijgt enkel nog de punten voor de vragen die hij kon oplossen voor hij betrapt werd.


76. De theoretische proeven in het kader van het sportschuttersdecreet worden afgenomen:

• A. door de lokale politie

• B. door elke persoon die initiator is op een schietstand

x• C. door de erkende examinatoren van de federatie die ook de praktische proeven afnemen, of door

          bestuursleden van de federatie


77. De praktische proef met het oog op het bekomen van een sportschutterslicentie wordt afgenomen:

x• A. door examinatoren van een gemachtigde schietsportfederatie;

• B. alleen door de lokale politie onder toezicht van de diensten van de gouverneur;

• C. door de verantwoordelijke van de schietstand.


78. De volgende documenten moeten worden voorgelegd om deel te nemen aan de praktische proef:

• A. een geldig rijbewijs en een geldige wapenvergunning

x• B. de lidkaart van de federatie of een verzekeringsbewijs

• C. een geldige wapenvergunning is voldoende


79. Een enkelschotswapen:

• A. is een wapen waarmee slechts één keer kan gevuurd worden, daarna is het wapen niet meer bruikbaar.

• B. is een wapen met slechts één trekker.

x C. een wapen waarbij één patroon per loop gekamerd kan worden die kan worden afgevuurd. Na het

          afvuren dient de huls te worden verwijderd, en dient een nieuwe patroon te worden geplaatst.


80. Een tweeloop is:

 A. een repeteervuurwapen.

x B. een enkelschotswapen.

 C. een semi-automatisch wapen.


81. Een repeteervuurwapen:

 A. kan herhaaldelijk worden afgevuurd zonder dat het manueel moet worden herladen.

x B. dient na elk schot te worden herladen, er wordt niet automatisch een volgende patroon gekamerd. De

          volgende patroon wordt geladen uit een magazijn, lader of trommel

 C. kan nooit gebruikt worden voor het sportschieten.


82. Een pompactiegeweer:

x A. is een repeteervuurwapen;

 B. is een enkelschotswapen;

 C. is een semi-automatisch wapen voor gangsters.

 

83. Een semi-automatisch wapen:

 A. dient na elk schot te worden herladen;

 B. is een verboden wapen;

x C. kan projectielen één per één afvuren bij elke druk op de trekker. Na het afvuren van het projectiel

          wordt automatisch een volgende patroon gekamerd.


84. Een automatisch wapen:

x A. vuurt meerdere projectielen af bij één druk op de trekker (vuren in salvo’s);

 B. is altijd voorzien van een bandvoeding;

 C. moet verplicht worden uitgerust met een waterkoeling.


85. Automatische wapens:

 A. kunnen voorhanden worden gehouden met een wapenvergunning;

x B. zijn verboden wapens;

 C. mogen enkel worden tentoongesteld in publieke musea.


86. Een pistool in kaliber 5,7 x 28mm (kaliber P90 machinepistool):

 A. is een vergunningsplichtig wapen;

x B. is een verboden wapen;

 C. is een vrij verkrijgbaar wapen.


87. Een geluidsdemper is?

x A. verboden

 B. toegelaten.

 C. toegelaten mits vergunning.


88. Welke zijn de vergunningsplichtige vuurwapens?

 A. alleen de handvuurwapens.

 B. alleen de oorlogswapens.

x C. alle vuurwapens die geen verboden of verkrijgbare vuurwapens zijn.


89. Een visier dat een rood bolletje laat zien (reddot), maar geen straal projecteert op het doel is:

 A. verboden

x B. toegelaten.

 C. toegelaten mits vergunning.


90. Een richtmiddel dat een laserstraal projecteert op een doel is:

x A. verboden

 B. toegelaten.

 C. toegelaten mits vergunning.

 

91. Een nachtkijker ontworpen om op een wapen te worden geplaatst, of een vuurwapen uitgerust met een nachtkijker is:

x A. verboden

 B. toegelaten.

 C. enkel toegestaan voor de houders van een jachtverlof.


92. Het bezit van een trekkergroep die ervoor zorgt dat een vergund semiautomatisch

wapen ook automatisch kan schieten is:

x A. verboden

 B. toegelaten, het valt onder de vergunning voor het semi-automatisch wapen

 C. een vrij verkrijgbaar onderdeel omdat het niet aan de proef is onderworpen.


93. Een tweeloop “superposé” wordt:

 A. voor de toepassing van de wapenwet ingedeeld als een vrij verkrijgbaar wapen en voor de toepassing

          van het sportschuttersdecreet ingedeeld in wapencategorie C

 B. voor de toepassing van de wapenwet ingedeeld als een vrij verkrijgbaar wapen

x C. voor de toepassing van het sportschuttersdecreet ingedeeld in wapencategorie C en voor de

          toepassing van de wapenwet ingedeeld als een vergunningsplichtig wapen


94. In de nieuwe wapenwet worden de wapens ingedeeld in de volgende categorieën:

 A. verboden wapens, oorlogswapens, vergunningsplichtige wapens en vrij verkrijgbare wapens

 B. verboden wapens, vergunningsplichtige wapens en toegelaten wapens

x C. verboden wapens, vergunningsplichtige wapens en vrij verkrijgbare wapens


95. Een geweer dat automatisch kan schieten, is:

x A. een verboden wapen

 B. een vergunningsplichtig wapen dat enkel door erkende verzamelaars voorhanden mag worden

          gehouden

 C. een oorlogswapen in de zin van de wapenwet


96. Vanaf welke leeftijd kan men in vlaanderen schieten met een nietvergunningsplichtig luchtdrukwapen

x A. er is geen opgelegde minimumleeftijd.

 B. vanaf 12 jaar.

 C. vanaf 14 jaar


97. Een vrij verkrijgbaar wapen met historische, folkloristische of decoratieve waarde:

 A. wordt ingedeeld als verboden wapen als ermee geschoten wordt;

x B. wordt ingedeeld als vergunningsplichtig wapen als ermee geschoten wordt. Een sportschutter kan het

          wapen registreren met een formulier van overdracht “model 9” als het wapen voorkomt op de lijst van

          wapens ontworpen voor het sportschieten. Als dit niet het geval is, dient de sportschutter een

          wapenvergunning aan te vragen bij de gouverneur.

 C. blijft ingedeeld onder de vrij verkrijgbare wapens als ermee geschoten wordt, de munitie voor het

          wapen blijft vrij te koop


98. Voor het vervoer van vrij verkrijgbare niet-vuurwapens (b.v. luchtdrukwapens), geldt

 A. dat de wapens moeten voorzien zijn van een trekkerslot.

 B. dat de wapens moeten vervoerd worden in een afgesloten slotvaste koffer.

x C. dat er geen bijzondere regels bestaan


99. Voor het vervoer van vrij verkrijgbare vuurwapens (b.v. een HFD wapen waar niet

mee geschoten wordt), geldt

x A. dat de wapens moeten voorzien zijn van een trekkerslot (of equivalente

beveiliging) of vervoerd worden in een afgesloten koffer.

 B. dat een voor de werking van het wapen essentieel onderdeel moet verwijderd worden.

 C. dat er geen bijzondere regels bestaan


100. Een luchtdrukwapen (andere dan een kort wapen waarvan de energie > 7,5J is):

x A. is een vrij verkrijgbaar wapen;

 B. is een vergunningplichtig wapen dat een sportschutter met een geldige sportschutterslicentie kan

          verwerven zonder voorafgaandelijke vergunning;

 C. is een vergunningsplichtig wapen dat enkel kan worden verworven mits  voorleggen van een

          wapenvergunning


101. Wat is de minimumleeftijd om een vergunningsplichtig vuurwapen aan te kopen?

 A. 21 jaar.

x B. 18 jaar

 C. 16 jaar.


102. Kan men, bij de aanvraag van een wapenvergunning, de wettige reden “sportief en recreatief schieten” aantonen zonder in het bezit te zijn van een sportschutterslicentie ?

 A. nooit.

 B. ja, als men een kopie van een getuigschrift van goed gedrag en zeden opstuurt naar de gouverneur.

x C. ja, met een attest van een schietstand waaruit blijkt dat men regelmatig dergelijke activiteiten

          beoefent


103. Om de wettige reden “sportief en recreatief schieten” te bewijzen, volstaat het dat

de aanvrager van een wapenvergunning

x A. houder is van een sportschutterslicentie;

 B. al over een groot aantal vergunnigsplichtige wapens beschikt;

 C. al gedurende meer dan 10 jaren een geregelde activiteit met wapens voert.


104. De houder van een geldige sportschutterslicentie moet, bij de aanvraag van een wapenvergunning

 A. altijd een medisch attest voorleggen;

x B. nooit een medisch attest voorleggen;

 C. enkel een medisch attest voorleggen indien het aangevraagde wapen behoort tot een andere

          wapencategorie dan een wapencategorie waarvoor zijn sportschutterslicentie geldig is.


105. De houder van een geldige sportschutterslicentie moet, bij de aanvraag van een wapenvergunning

 A. altijd een attest van slagen voor de praktische proef voorleggen;

 B. nooit een attest van slagen voor de praktische proef voorleggen;

x C. enkel een attest van slagen voor de praktische proef voorleggen indien het aangevraagde wapen

          behoort tot een andere wapencategorie dan een wapencategorie waarvoor zijn sportschutterslicentie

          geldig is.


106. Een wapenvergunning wordt aangevraagd

 A. bij de federatie;

x B. bij de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager, of bij de minister van justitie indien

          de aanvrager geen verblijfplaats in België heeft;

 C. bij de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager, of bij de federale politie indien de

          aanvrager geen verblijfplaats in België heeft.


107. Een beslissing over de aanvraag voor een wapenvergunning moet worden genomen:

 A. binnen de twee maanden na aanvraag, tenzij bij gemotiveerde beslissing deze termijn verlengd wordt;

 B. binnen de drie maanden na aanvraag, tenzij bij gemotiveerde beslissing deze termijn verlengd wordt;

x C. binnen de vier maanden na aanvraag, tenzij bij gemotiveerde beslissing deze termijn verlengd wordt.


108. Indien de beslissing van de gouverneur niet genomen wordt binnen de vier maanden, en als de termijn niet verlengd wordt:

 A. moet de aanvrager nog een beetje langer wachten en de willekeur ondergaan;

x B. kan de aanvrager binnen de 15 dagen na het verstrijken van de termijn van vier maanden in beroep

          gaan bij de Federale Wapendienst door zijn dossier daar opnieuw in te dienen;

 C. kan de aanvrager in beroep gaan bij de Federale Wapendienst, er is geen termijn waarbinnen dit moet

          gebeuren


109. Het wordt aangeraden om de aanvraag voor een wapenvergunning steeds aangetekend met ontvangstkaart te versturen of af te geven tegen ontvangstbewijs omdat:

 A. dit wettelijk vereist is;

 B. gewone brieven altijd met de post verloren gaan;

x C. om te kunnen bewijzen wanneer de termijn van vier maanden waarbinnen de overheid moet beslissen

          begint te lopen.


110. Na ontvangst van de vergunningsaanvraag, zal de overheid een advies vragen aan:

x A. de lokale politie bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager;

 B. de provinciegouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager;

 C. de diensten de Staatsveiligheid.

 

111. Waar mag men, behalve in de schietruimte van een erkende schietstand tijdens het beoefenen van het schieten, een vuurwapen dragen zonder wapendrachtvergunning ?

 A. overal waar men het vuurwapen wettelijk mag voorhanden hebben.

 B. op elke plaats waar men geen ongeval kan veroorzaken.

x C. enkel binnenshuis voor zover dit niet zichtbaar is.


112. Als de wapenvergunning, aangevraagd door een persoon die een verblijfplaats

heeft in België, wordt geweigerd, kan men in beroep gaan:

x A. bij de Federale Wapendienst;

 B. bij de provinciegouverneur;

 C. bij de Procureur des Konings


113. Na toekenning van de wapenvergunning moet het wapen worden verworven:

 A. binnen de twee maanden;

 B. binnen de vier maanden;

x C. binnen de drie maanden.


114. Bij aankoop van het wapen moet het “Luik B” van de vergunning:

 A. worden bewaard door de verkoper van het wapen;

x B. binnen een maand worden opgestuurd naar de overheid die de vergunning heeft uitgereikt;

 C. worden opgestuurd naar de federatie.


115. Voor het beoefenen van een dynamische discipline, waarbij wapens gedragen worden in de schietruimte van een erkende schietstand:

 A. is een bijkomende wapendrachtvergunning nodig per wapen dat men draagt;

 B. is een bijkomende wapendrachtvergunning nodig. Deze vergunning is geldig om alle wapens te dragen;

x C. moet geen bijkomende wapendrachtvergunning worden aangevraagd.


116. De wapenvergunning laat toe:

 A. om alle munitie voor vergunningsplichtige wapens te kopen;

x B. om munitie te kopen in hetzelfde kaliber als het wapen dat vergund is;

 C. om een handel in munitie te starten.


117. Waar mag er met een vergunningsplichtig vuurwapen geschoten worden

 A. Overal waar men het vuurwapen wettelijk mag voorhanden hebben.

 B. Op elke plaats waar men geen ongeval kan veroorzaken.

x C. Tijdens de jacht met een jachtwapen en in een erkende schietstand.

 

118. Wat is de maximale geldigheidsduur van een vergunning tot het voorhanden hebben van een vuurwapen?

 A. 1 jaar.

 B. 5 jaar

x C. onbepaalde duur


119. Indien de gouverneur beslist om een wapenvergunning in te trekken, te beperken of te schorsen, of indien de gouverneur het recht om een wapen voorhanden te hebben intrekt:

 A. is geen administratief beroep mogelijk;

x B. kan de aanvrager binnen de 15 dagen na kennisname in beroep gaan bij de Federale Wapendienst;

 C. kan de aanvrager binnen de 15 dagen na kennisname in beroep gaan bij de Vlaamse minister bevoegd

          voor Sport;


120. Bij adreswijziging:

 A. moet de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats alsook de lokale politie worden ingelicht;

x B. moet de wapenbezitter geen initiatief nemen: via het rijksregister wordt de adreswijziging automatisch

         doorgegeven aan de diensten;

 C. moet enkel de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats worden ingelicht;


121. Bij wijziging van de gegevens vermeld op de vergunning, andere dan het adres:

 A. moet de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats alsook de lokale politie worden ingelicht;

 B. moet de wapenbezitter geen initiatief nemen: via het rijksregister wordt de adreswijziging automatisch   

          doorgegeven aan de diensten;

x C. moet enkel de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats worden ingelicht binnen de 15 dagen;


122. Bij verlies of diefstal van het wapen:

x A. moet de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats alsook de lokale politie worden ingelicht, dit

          binnen de 15 dagen;

 B. moet de wapenbezitter geen initiatief nemen: via het rijksregister wordt de adreswijziging automatisch

          doorgegeven aan de diensten;

 C. moet enkel de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats worden ingelicht;


123. Bij diefstal of poging tot diefstal van het wapen:

x A. moet binnen de 48 uren aangifte worden gedaan aan de politie, met precise omschrijving van de

          gestolen zaken;

 B. moet aangifte worden gedaan bij de politie binnen de 15 dagen;

 C. moet aangifte worden gedaan bij de Federale Wapendienst binnen de 48 uren.


124. Bij de overdracht van een vuurwapen dat zonder vergunning voorhanden kan worden gehouden door een sportschutter aan de houder van een sportschutterslicentie door een particulier die houder is van een wapenvergunning

 A. wordt een registratiedocument model 6 opgemaakt

 B. wordt een formulier van overdracht “model 9” opgesteld. Het origineel en een afschrift van dit model

          worden opgestuurd naar een gemachtigde schietsportfederatie.

x C. wordt een formulier van overdracht “model 9” opgesteld. Het origineel en een afschrift van dit model

          worden opgestuurd naar de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van degene die het wapen

          verwerft.


125. Bij de overdracht van een vuurwapen dat zonder vergunning kan worden voorhanden gehouden door een sportschutter aan de houder van een sportschutterslicentie

 A. wordt het formulier van overdracht “model 9” binnen de acht dagen verstuurd naar de gouverneur

          bevoegd voor degene die het wapen overdraagt;

x B. wordt het formulier van overdracht “model 9” binnen de acht dagen verstuurd naar de gouverneur

          bevoegd voor degene die het wapen verwerft;

• C. wordt het formulier van overdracht “model 9” binnen de acht dagen verstuurd naar het Centraal

          Wapenregister;


126. De verplichting om vergunningsplichtige wapens en munitie buiten het bereik van kinderen en onbevoegde te bewaren:

x A. geldt altijd;

 B. geldt enkel als men meer dan 5 vergunningsplichtige wapens opslaat;

 C. geldt enkel als men meer dan 30 vergunningsplichtige wapen opslaat;


127. Om te bepalen welke regels van toepassing zijn in functie van de hoeveelheid opgeslagen wapens:

 A. worden alle wapens meegeteld die zich op dezelfde plaats bevinden;

x B. worden alle vergunningsplichtige wapens meegeteld die zich op dezelfde plaats bevinden;

 C. worden alle vergunningsplichtige vuurwapens meegeteld die zich op dezelfde plaats bevinden;


128. Wapenbezitters die minder dan vijf vergunningsplichtige wapens bezitten:

 A. moeten hun wapens altijd voorzien van een trekkerslot tijdens de opslag;

 B. moeten hun wapens ophangen op minstens 2 meter hoogte zodat ze onbereikbaar zijn voor kinderen;

x C. kunnen, naar keuze, hun wapens voorzien van een trekkerslot, vastmaken aan een vast punt of een voor het wapen essentieel onderdeel wegnemen en afzonderlijk bewaren.


129. Tijdens het vervoer van vergunnigsplichtige wapens en munitie:

x A. moet de munitie worden opgeslagen in een veilige verpakking, deze verpakking mag zich in de

          wapenkoffer bevinden;

 B. moeten het wapen en de munitie in twee afzonderlijke koffers vervoerd worden;

 C. mag de munitie om het even hoe in het voertuig vervoerd worden.


130. Tijdens het vervoer van vergunnigsplichtige wapens en munitie:

 A. volstaat het dat de wapens buiten handbereik liggen;

x B. moeten de wapens voorzien zijn van een trekkerslot (of moet een voor de werking van het wapen

          essentieel onderdeel verwijderd worden) en worden opgeslagen in een afgesloten koffer;

 C. volstaat het dat de wapens in een afgesloten koffer worden vervoerd.


131. Tijdens het vervoer van vergunnigsplichtige wapens en munitie:

 A. mogen de laders van de wapens gevuld zijn als het wapen ongeladen is;

 B. mogen de laders van de wapens gevuld zijn maar mogen ze niet in het wapen zitten ;

x C. moet het wapen ongeladen zijn en moeten de magazijnen leeg zijn.


132. Tijdens het bezoek aan de schietstand:

 A. mogen de wapens in het voertuig worden gelaten;

x B. mogen de wapens enkel in het voertuig worden gelaten als het bewaakt is;

 C. worden de wapens bewaard onder toezicht in de kantine.


133. Een vergunningsplichtig wapen mag vervoerd worden:

 A. tussen de verblijfplaats en de plaats van tewerkstelling als men achteraf gaat schieten;

x B. tussen de verblijfplaats en de schietstand en tussen de verblijfplaatsen onderling;

 C. elk traject is mogelijk


134. Kan men met een voorlopige sportschutterslicentie een vergunningsplichtig vuurwapen aankopen zonder vergunning?

 A. alleen indien men meerderjarig is.

x B. neen.

 C. ja, maar het wapen moet op de schietstand blijven.


135. Kan men met een sportschutterslicentie een vergunningsplichtig vuurwapen aankopen zonder daarvoor eerst over een vergunning te beschikken?

 A. neen.

x B. ja, wanneer het om een vuurwapen gaat dat ontworpen is voor het sportschieten en dat voorkomt op

          de lijst van de minister van Justitie.

 C. ja, mits toestemming van de volwassen huisgenoten.


136. Kan men met een sportschutterslicentie een vouwgeweer met gladde loop kaliber 12 aankopen?

x A. neen het is een verboden wapen.

 B. ja, mits toestemming van de minister van justitie.

 C. alleen met een vergunning.


137. Een pistool in 9mm, kan slechts worden verworven door de houder van een sportschutterslicentie:

x A. mits voorlegging van een wapenvergunning uitgereikt door de gouverneur

 B. het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie volstaat

 C. mits voorlegging van een wapenvergunning uitgereikt door de gouverneur en een getuigschrift van

          goed gedrag en zeden


138. Een grendelgeweer in kaliber .223 Remington kan slechts worden verworven door de houder van een sportschutterslicentie:

x A. mits voorlegging van zijn sportschutterslicentie en identiteitskaart, een formulier van overdracht

          “model 9” wordt ingevuld en verstuurd naar de gouverneur van de woonplaats van de verkrijger van

          het wapen

 B. Het wapen is een oorlogswapen en kan enkel worden verworven door de houder van een

          wapenvergunning omdat het wapen in een oorlogskaliber is  C. mits voorlegging van een Europese

          vuurwapenpas uitgereikt in België


139. Een semi-automatisch geweer in kaliber .308 Winchester (b.v. een FAL) wordt:

 A. voor de toepassing van de wapenwet ingedeeld als een verboden wapen en voor de toepassing van het

          sportschuttersdecreet ingedeeld in wapencategorie D

• B. voor de toepassing van de wapenwet ingedeeld als een verboden wapen en wordt niet ingedeeld in het

          sportschuttersdecreet

x C. voor de toepassing van de wapenwet ingedeeld als een vergunningsplichtig wapen en voor de

          toepassing van het sportschuttersdecreet ingedeeld in wapencategorie D.


140. De houder van een sportschutterslicentie kan een pistool dat specifiek is ontworpen voor het sportschieten verwerven zonder voorafgaandelijke vergunning:

 A. als het pistool in kaliber .22 is en voorzien is van een speciale greep;

x B. als het pistool in kaliber .22 is en maximaal vijf schoten heeft;

 C. als het pistool in kaliber .22 is en aangepaste richtmiddelen heeft.


141. Behoudens het geval van intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben door de gouverneur, geldt dat de houder van een sportschutterslicentie die niet meer geldig is:

 A. zijn wapens binnen de acht dagen moet overdragen aan een erkend person of aan de houder van een

          vergunning tot het voorhanden hebben van de wapens;

x B. zijn wapens gedurende drie jaar voorhanden mag hebben zonder munitie;

 C. zijn wapens nog gedurende drie jaar voorhanden mag hebben met munitie.

 

142. Behoudens het geval van intrekking van het recht om wapens voorhanden te hebben door de gouverneur, geldt dat de houder van een sportschutterslicentie die niet meer geldig is:

x A. de munitie voor de wapens die via zijn sportschutterslicentie geregistreerd waren binnen een maand

          moet overdragen aan een persoon die deze munitie voorhanden mag hebben;

 B. zijn wapens gedurende drie jaar voorhanden mag houden met munitie;

 C. zijn wapens onmiddellijk moet afgeven ter vernietiging.


143. Om munitie aan te kopen, dient de houder van een sportschutterslicentie:

 A. alleen zijn sportschutterslicentie voor te leggen;

 B. zijn sportschutterslicentie en identiteitskaart voor te leggen;

x C. zijn sportschutterslicentie, identiteitskaart en het model 9 voor te leggen.


144. De houder van een wapenvergunning “model 4” kan munitie kopen:

 A. mits voorleggen van het model 4;

 B. mits voorleggen van het model 4 en de sportschutterslicentie

x C. mits voorleggen van het model 4 en de identiteitskaart


145. Opensplijtende munitie (hollow-points) voor geweren:

 A. is verboden munitie;

x B. is toegestaan;

 C. mag enkel gebruikt worden voor de jacht.


146. Opensplijtende munitie (hollow-points) voor pistolen en revolvers:

x A. is verboden munitie;

 B. is toegestaan;

 C. mag enkel gebruikt worden voor de jacht.


147. Schiettechnieken waarbij gebruik wordt gemaakt van realistische situaties of menselijke silhouetten als doel, of gewelddadige scenario’s?

 A. zijn altijd verboden op een schietstand.

x B. zijn altijd verboden voor particulieren.

 C. zijn altijd toegelaten


148. Alcoholische dranken:

 A. mogen genuttigd worden voor het schieten, maar niet tijdens het schieten

 B. mogen genuttigd worden voor het schieten, voor zover het alcoholgehalte in het bloed kleiner blijft

          dan 0,5 promille

x C. mogen enkel genuttigd worden na het schieten


149. In het aanwezigheidsregister:

 A. moet het adres genoteerd worden

 B. moet enkel de naam van de schutter vermeld worden en het gebruikte wapentype

x C. moet de naam van de schutter, het gebruikte wapentype en kaliber, de datum, en het uur van

          aankomst en vertrek worden ingevuld


150. Aan de exploitant van de schietstand

 A. moet steeds een uittreksel uit het strafregister worden bezorgd.

x B. moet steeds een uittreksel uit het strafregister worden bezorgd, tenzij door de houder van een

          sportschutterslicentie of een jachtverlof.

 C. moet nooit een een uittreksel uit het strafregister worden bezorgd.



Copyright @ All Rights Reserved